Laatste berichten

juli 2009

ma di wo do vr za zo
    1 2 3 4 5
6 7 8 9 10 11 12
13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26
27 28 29 30 31    
Neem inhoud van deze site over (XML)
web-log.nl, powered by TypePad

7 december 2007

platonisme, kans en het antropisch principe

Mensen als Richard Dawkins en nog een boel anderen zeggen dat het idee van een God alleen maar meer vragen oproept over waarom de wereld zo is als ie is: Als god deze complexe wereld heeft geschapen, hoe complex moet hij dan wel niet zijn? Occam`s razor zou zeggen, weg met het God-idee, dat maakt begrip van de werld zoals ie is op zijn minst iets minder moeilijk.

Ik ben van mening dat Occam`s razor op het gebied van metafysische of religieuze overwegingen geen hout snijdt. Hieronder wat stellingen met uitleg om dit proberen expliteren:

1) Wetenschap gaat uit van het bestaande, en probeert daar rationele orde in te brengen. Per definitie stelt wetenschap niet vragen als ´waarom er Iets is in plaats van Niets´; dit zijn vragen voor metafysici. Als wetenschappers zich derhalve bemoeien met vragen die buiten het bereik van de wetenschap liggen, en zich afvragen of God al dan niet bestaat bijvoorbeeld, maken ze van begin af aan een categoreale fout, of hoe je het ook noemen wilt. Dingen als Occam´s razor, die de wetenschap vooruit kunnen helpen, hebben geen enkele waarde buiten de reikwijdte van de wetenschap. Occam´s razor als heuristisch leidprincipe in metafysische overwegingen lijkt me een vrij riskante en onverstandige onderneming. Metafysica is meer vragen stellen waarop niet zomaar een antwoord op te vinden is. Het is contemplatie en creatief nadenken zonder zomaar een antwoord te vinden, maar hoogstens een serie mogelijke antwoorden die echter in een mensenleven wellicht altijd onbeslisbaar zullen zijn. Het is assumpties opperen en die contemplatief te onderzoeken: pas in een veel later stadium komt Occam´s Razor wellicht aan bod. Maar primair, herhaal ik, is metafysica creatief-contemplatieve vragen stellen waarbij Occam´s Razor alleen maar een grote hindernis is.   

2) Fysisch Platonisme (mathematische wetten in de Natuur met bepaalde exacte waarden van fundamentele parameters) is noodzakelijk waar als de wereld volledig deterministisch is. Als de wereld niet alleen complex geordend is maar zo tot aan het einde der tijden, zogezegd, zo blijft, dan houdt dat in dat er exacte wetten zijn die het elk moment het fundament vormen van de evolutie van heel het heelal (of heellalen). Als natuurwetten nooit en te nimmer niet veranderen (een formulatie van determinisme) dan kan je over ´eeuwige wetten´ spreken. Het ´exacte´ volgt evenzeer uit het volledig determinisme. Want, zouden de dingen niet exact hun evolutie in het heelal volgen, dan is er geen sprake meer van volledig determinisme maar is er een bepaalde vaagheid in de evolutie van het heelal (noem die vaagheid maar kans). Platonisme is uiteraard het idee dat er een wereld bestaat, buiten (en soms (deels) in) menselijke waarneming, die exact en voor eeuwig bepaald is. (Discussie over of de (fysische) wereld niet alleen wiskunde herbergt, maar ook eeuwig en onveranderlijk (exact) Goed en Schoon scheppen andere wegen in de discussie waar ik nu niet heen wil).

3) Fysisch Platonisme (als: mathematische wetten in de Natuur met bepaalde exacte waarden van fundamentele parameters die in evolutie heelal al dan niet van waarde veranderen) is noodzakelijk waar als de wereld deels deterministisch is en deels gestuurd wordt door of irreduceerbare kans, of vrije wilsbesluiten door organismen of door wat voor entiteit dan ook, of door allebei. Dit moet waar zijn om de volgende redenen. A) Er bestaat niet zoiets als ´volledig vrije wil´ die niet voor een klein of groot deel geconditioneerd is door het verleden en de constitutie van een entiteit, en op dezelfde wijze bestaat er niet zoals als volledige willekeurigheid: kans is altijd exact of met een bepaalde onzekerheid binnen zekere grenzen bepaald (ad infinitum achtige verschijnselen maken voor het argument hier geen donder uit: kans blijft hoe dan ook deels gedetermineerd). De normaalcurve bijvoorbeeld is een volledig deterministisch en eeuwig wiskundig iets. Ofwel, anders gezegd: determinisme regeert de kans in de wereld. B) Als universum of universa deels random (middels een perfecte, Platonische Dobbelsteen in kwantummechanische systemen als neutronensterren of radioactieve materie etc.) en/of gewild (door organismen, geesten, goden, God) evolueert, zijn er dus verschillende heelallen mogelijk die zich kunnen actcualiseren. Om verschillende heelallen al dan niet te kunnen actualiseren is het noodzakelijk dat al deze heelallen in potentie ´ergens´ voor eeuwig en altijd bestaan. Als ons heelal niet volledig in actualiteit gedetermineerd is of wordt, dan is de Basis van ons heelal desalniettemin volledig gedetermineerd. De enige andere mogelijkheid contra gedetermineerde, eeuwige, absolute Potentialiteit is het creeeren van Iets uit Niets: Actualiteit van een ding of universum die nergens vandaan komt, nergens op rust. Welnu, er is geen enkel fenomeen die de wetenschap kan bestuderen die uit het niets komt (het kwantumvacuum met virtuele deeltjes ed. is door reeele, bestaande (ofwel ´Iets´-) wetten bepaald). Dus, we begeven ons weer op het terrein van metafysica, en de wetenschap heeft geen poot om op te staan om hier iets zinnigs of sluitends over te zeggen. Maar goed, toegegeven is het Platonisme ook metafysica, ook al gaat het om Onveranderlijke Potentialiteit of een Onveranderlijk en Eeuwig (4-dimensionaal?) blok-universum, etc.

Met deze A) en B) wil ik alleen maar via een weg (er zijn er meerdere) beargumenteren dat (fysisch en mathematisch) Platonisme noodzakelijk waar is. Nee, dit is geen wetenschappelijk, bewijsbaar iets, het is metafysica. Maar van mijn part is het metafysica met een vergelijkbare kracht als Descartes´ ´Ik denk, dus ik besta´.

4) Als fysisch en mathematisch Platonisme waar is, is er noodzakelijkerwijs een Almacht, God, die niet alleen beide belichaamt (het transcendente en immanente, het eeuwige en het vergankelijke, etc.) maar ook de Brug is tussen potentialiteit (mathematisch-platonische wereld) en actualiteit (fysisch-platonische wereld). Of eerder andersom. God bestaat omdat er een Brug is tussen Potentialiteit en Actualiteit. Alleen een Almacht kan de stap van Potentialiteit naar Actualiteit maken, met zijn specifieke keuze bepaalt door zijn natuurwetten. Het is dus in mijn optiek niet zozeer de vraag hoe Iets uit Niets wordt gecreeerd (hoewel dat ook zeker een interessant perspectief is), maar eerder Iets uit Alles. 

Aangezien de Brug=God bestaat, houdt dat ook in dat God ook de oevers belichaamt: Hij brengt dingen de Brug over en weer, en zonder beide oevers te kennen, kan de Brug gewoon niet bestaan: God is dus Brug en Oevers (belichaamt beide Platonische werelden).

5) Enige optie voor Wereld zonder God is dat de wereld eenvoudigweg ´is´.

Wetenschap kan nooit meer verklaren dan zich in eerste en laatste instantie zich te beroepen op het al bestaande, zoals ik hierboven herhaaldelijk zei. Als wetenschappers zeggen dat Iets uit Niets kan ontstaan, of Iets uit Alles, dan mogen ze dat gerust, maar kunnen zich niet legitiem laten steunen door wetenschap in het algemeen, zei het empirie of theorie of allebei. Dus, zoals de stelling zegt: de wetenschap als zgn. ultieme autoriteit omtrent waarheid etc. kan zich alleen redden door aan te nemen dat het Heelal gewoon ´is´. Maar het Heelal ´is´ niet ´gewoon´. Het verandert, dat wil zeggen, het verdwijnt voortdurend in het Niets of het Alles (de eeuwige potentialiteit), en het verschijnt voortdurend uit het Niets of het Alles. Of anders gezegd (en nu kan ik verwijzen naar Stephen Pinker), wetenschap zoekt naar relaties in tijd en ruimte: alle beweringen daarbuiten is geen wetenschap meer (het idee van vrije wil, waar Pinker vanuit zijn gezichtspunt uiteraard wat moeite (...) mee heeft, is dus geen wetenschappelijk concept). Nou, inderdaad, zou ik zeggen! Wetenschap gaat eenvoudigweg uit van tijd en ruimte, maar verklaart ze geenszins. 6) De enige redding om toch nog iets van stelling 5) te bakken is het antropisch principe. (Volgens wikipedia: ´Het zwak antropisch principe gaat uit van de constatering dat om enige vaststelling aan het universum te doen, er noodzakelijkerwijs intelligent leven moet zijn.´ Ik ga hier vooral in tegen de zwakke versie ervan. De beschrijving van het sterke antropisch principe op wikipedia vind ik trouwens maar erg zwak!) Het antropisch principe is wel de meest fatale, niet-legitieme mix tussen wetenschap en metafysica die wetenschappers ooit bedacht hebben. In plaats van een universum bestaan er meerdere, bijv. met veranderlijke natuurwetten of statische, waarvan wellicht alleen in enkele van de laatste leven kan ontstaan. Er is een hoop te zeggen over het antropologisch principe die er alleen maar op wijst dat het een rampzalig, hopeloos principe is (ook al zouden er best wel andere universa kunnen bestaan; dat ontken ik geenszins!). Maar het is in deze context een hopeloze verschuiving van het zoeken naar een antwoord op de vraag waarom ons universum en ons leven bestaat, zonder ook maar een millimeter dichter bij een God-loos ´Het universum is gewoon´ oplossing te komen. Misschien kan het ´verklaren´ (wat het niet doet, in mijn optiek; het is de ergste, ultieme post-hoc hypothese om een Verschijnsel te verklaren die wetenschappers ooit bedacht hebben) waarom wij in deze wereld bestaan, maar het kan bijvoorbeeld niet verklaren waarom de stabiele en instabiele Universa gescheiden van elkaar zijn, ofwel onafhankelijk van elkaar bestaan. Het Iets bestaat altijd in context van het Niets, of: Tussen een specifiek Iets en een ander specifiek Iets is een zeker Niets, ofwel een volledige (fysische) Blindheid tussen die twee. Als er ontelbare, van elkaar (deels?) gescheiden universa bestaan, is het Iets is dus alleen mogelijk als Alles en Niets bestaan. Hoe dan kom je dus weer uit op de noodzaak van de Brug zoals boven uitgelegd.

7) God is bewust of onbewust of allebei. Mja, hier ga ik in een andere log die wel of niet komt wellicht wel of niet op in.

Dat een God alleen maar moeilijke vragen oproept over hoe complex Hij wel niet moet zijn wil hij deze complexe wereld scheppen is met bovenstaande nu niet zo moeilijk meer aan te vallen. Het is gewoon geen zinnige vraag. Als het waar is dat Iets noodzakelijkerwijs tussen een Niets en Alles bestaat, is de basis van de wereld simpelweg oneindig complex. Een goede vraag is echter, hoe die Brug zijn werk doet. Daar hebben we Newton voor, maar een betere beschrijving bieden relativiteit en kwantummechanica. Beide theorieen werpen licht op metafysische waarheid (ook al, herhaal ik, kan wetenschap nooit sluitende conclusies trekken omtrent metafysica, of de wetenschap moet qua aard en richting wel heel drastisch veranderen de komende eeuwen), maar het is voorlopig nog maar een dim schijnsel waar vooral over de laatste een grote filosofische warboel omheen bestaat (ik heb me altijd afgevraagd, als er een enkel figuur geweest was die in het begin van de vorige eeuw de kwantummechanica vanuit filosofische principes had opgericht, net zoals E. dat met relativiteit had gedaan, dan was de boel vast een stuk duidelijker geweest vandaag de dag.)

Als fysisch en mathematisch platonisme (trouwens weet ik niet of er in wat voor literatuur dan ook over fysisch platonisme gepraat wordt, vast wel, al weet ik niet of men hetzelfde ermee bedoeld als ik hier) waar zijn, en er een Brug is die de afstand tussen Niets en Iets determineerd en evolueert, betekent dat dan echter inderdaad dat er een God moet bestaan? Hm, lijkt me wel, uiteraard. Maar om geen ongefundeerde mening te geven zomaar: Als de Brug bestaat, en die bestaat daar wij bestaan (het Godtropisch principe, eh...?), dan moet deze boven tijd en ruimte en materie staan, of beter: moet meer zijn dan alleen dat. Ook al hoort Niets daar misschien bij, zeker ook bestaat noodzakelijkerwijs een Meer Dan Wat Voor Huidig Iets dan ook aldus. Iets wat altijd ´meer´ of ´hoger´ is aan deze wereld kan je God noemen, dunkt me.

Zie bijv. Rudy Rucker, Oneindigheid (Ned. vert.) en Lakoff en Nuñez, Where mathematics comes from: How the embodied mind brings mathematics into being, voor discussies omtrent platonisme. Rucker is pro platonisme, Lakoff en Nuñez zijn contra platonisme.

25 juli 2007

In de diepten van de hersenen

Over de visies van Jeremy Narby en Aldous Huxley

Voor sommige mensen is een hallucinogeen middel een tijdelijke recreatie. Voor anderen kan het de weg banen naar verwarring of zelfs een psychose. Weer anderen willen er überhaupt nooit van weten. Voor enkele mensen echter verandert het nemen van hallucinogene middelen voor altijd diens kijk op het leven. Tot die laatste groep behoren de antropoloog Jeremy Narby en de eminente schrijver Aldous Huxley. Deze originele, onafhankelijk denkende en analytische geesten hebben respectievelijk het sjamanenbrouwsel ayahuasca uit de amazone en het synthetische middel mescaline genomen. Zij hebben vervolgens hun ervaringen geanalyseerd en voor het publiek opgeschreven.

Toen Jeremy Narby antropologisch onderzoek deed in de jungle van Peru, voor zijn proefschrift voor de vermaarde Stanford Universiteit, kwam hij in aanraking met het sjamanisme aldaar. Het voor sjamanen heilige middel ayahuasca is gemaakt van het sap van lianen en planten en bevat onder andere het hallucinogene middel DMT. Het wordt sinds eeuwen door de sjamanen gebruikt om te reizen naar spirituele werelden en om mensen van hun ziekten te genezen. Narby, als antropoloog en wetenschapper, voelde het als een plicht om de zienswijze van de sjamanen van binnenuit te ervaren en besloot een keer het brouwsel (aan de buitenkant een dik, koffiebruin en erg bitter smakende drab) in te nemen. Hij moest niet alleen binnen de kortste keren overgeven, maar buiten de tent waar de ceremonie plaatsvond, zag hij in het donker twee gigantische slangen – die met hem praatten. Naast andere visioenen heeft deze ervaring Narby’s kijk op de antropologie en het leven in het algemeen blijvend veranderd. In zijn boek “The Cosmic Serpent: DNA and the Origin of Knowledge” beschrijft Narby zijn ervaring en zijn zoektocht naar de betekenis ervan. In zijn boek trekt hij boeiende parallellen tussen mythologie en wetenschap, met name tussen de mythologie van de ayahuascero’s in Zuid-Amerika en de wetenschap van de biologie. DNA - de informatiedrager van het leven - en de gigantische slangen zijn volgens Narby beiden de oorsprong van kennis van het leven en de Kosmos.

Aldous Huxley (1894-1963), vooral bekend om zijn futuristische boek Brave New World, heeft halverwege de vorige eeuw ook de sprong gewaagd in de ‘andere werelden’ waartoe sommige drugs, in zijn geval mescaline, toegang kan verschaffen. Tot op de dag van vandaag blijven zijn beschrijvingen en analyses met betrekking tot het nemen van deze drug van waarde vanuit zowel subjectief als objectief wetenschappelijk oogpunt. Aan de polen van de geest, zoals Huxley het noemt, bevinden zich wezens die minstens zo vreemd zijn als vogelbekdieren in de natuur van Australië. Wat Narby en Huxley met elkaar verbindt, naast hun analytisch vermogen om zowel met een subjectieve als objectieve blik naar hun eigen en andermans ervaringen met hallucinogene middelen te kijken, is dat beiden geloven in de kracht van de fysiologie van de hersenen en het lichaam. In de diepten van onze hersenen en in onze cellen vinden niet alleen immens complexe fysiologische en chemische processen plaats, maar bevinden zich volgens Narby en Huxley ook spirituele wezens – of herbergen poorten naar deze entiteiten en naar andere werelden.

De kosmische slang

De overtuigingskracht van de visioenen onder invloed van ayahauasca was voor Narby overweldigend. Bijna tien jaar lang heeft hij gezocht naar de betekenis van deze visioenen, die zo werkelijk voor hem waren dat hij niet kon geloven dat het ‘slechts’ hallucinaties waren, oftewel: de gigantische, pratende slangen en andere wezens waren geen producten van zijn geest, maar bestonden werkelijk en dankzij het sjamanenbrouwsel kon hij met ze communiceren. Een opvallende karakteristiek van het gebruik van ayahuasca is dat verrassend veel mensen dezelfde soort ervaringen met het middel hebben, inclusief het zien van gigantische slangen. Narby raakte vooral geïnteresseerd door een verslag van Michael Harner, een anthropoloog die in de jaren zestig de religie van de Conibo indianen in de Peruaanse jungle bestudeerde. Zij vertelden hem dat hij ayahuasca moest drinken als hij hun religie echt  wilde bergijpen. Onder strikte supervisie van zijn indogene vrienden, dronk hij een grote hoeveelheid van het brouwsel. Al snel bevond hij zich in een wereld van overtuigende visioenen.

Hij zag dat zijn visioenen van ‘gigantische reptielachtige wezens’ kwamen die zich in de diepten van de hersenen bevonden. Het is de moeite waard zijn ervaringen, zoals in Narby’s boek aangehaald, hier te citeren: “Ze lieten me eerst de aarde zien zoals het vele miljoenen jaren geleden was, voor er leven was. Ik zag een oceaan, een leeg landschap, en een heldere blauwe lucht. Op een gegeven moment vielen er honderden zwarte objecten uit de lucht en landden voor mijn ogen op het lege landschap. Ik zag vervolgens dat deze ‘objecten’ grote, glinsterende, zwarte wezens met gigantische walvisachige lichamen waren en reptielachtige vleugels hadden... Ze legden me uit in een soort gedachtetaal dat ze vluchtten voor iets in de ruimte. Ze waren naar de aarde gekomen om te ontsnappen aan hun vijand. De wezens lieten me vervolgens zien hoe ze het leven op de planeet hadden gecreëerd om zich te verstoppen in de veelvuldige vormen om zodoende hun aanwezigheid te verhullen. Voor mijn ogen ontwikkelde zich het wonder van de creatie van planten en dieren en de ontwikkeling van soorten –honderden miljoenen jaren van activiteit – vond plaats op een schaal en levendigheid die onmogelijk te beschrijven is. Ik leerde aldus dat de draakachtige wezens zich in alle vormen van leven bevinden, inclusief de mens.” (vert. PvdB)

In een voetnoot bij zijn verslag schreef Harner: “Achteraf gezien kan men zeggen dat ze bijna als DNA waren, ook al wist ik in die tijd, 1961, niets van DNA.” Dit verslag van een collega-antropoloog vormt de basis van Narby’s boek “The Cosmic Serpent.” In zijn boek zoekt hij parallellen tussen de gigantische reptielachtige wezens in zijn eigen en Harners visioenen en de biologie van het erfelijke materiaal in onze cellen dat de basis vormt voor de instandhouding en ontwikkeling van het leven op Aarde: ons DNA.

Biologie en sjamanisme

Narby’s these is dat mythologie en wetenschap op verschillende manieren naar het leven kijken, maar dat desondanks beide zienswijzen op hun eigen manier geldig zijn. Sterker nog, door beide perspectieven op het leven tegelijkertijd te beschouwen kan men tot een dieper besef van de waarde en oorsprong van het leven geraken. Narby spreekt over defocalisiatie: een techniek om tegelijkertijd naar verschillende dingen te kijken zonder te abstraheren en slechts strikte, logische overeenkomsten tussen de dingen te herkennen. Hij vergelijkt de techniek van defocalisatie met het zien van driedimensionale figuren in die bekende plaatjes die door een computer bewerkt zijn: door op een bepaalde manier naar de tekening te staren ziet men ineens diepte in de tekening. Hetzelfde geldt voor de techniek van defocalisatie, die het bijvoorbeeld mogelijk maakt mythologie en wetenschap op een niet-contradictionele manier als een geheel te beschouwen. Om deze toestand te bereiken luisterde Narby naar atonale muziek en bestudeerde hij bepaalde vormen van abstracte kunst. Wat wetenschap en mythologie betreft kwam hij tot het inzicht dat wat Francis Crick, James Watson, Maurice Wilkins en Rosalie Franklin (de laatste werd overigens volgens sommigen onterecht buitengesloten bij de toekenning van de Nobelprijs Geneeskunde in 1963) in de jaren vijftig via röntgenstralenmicroscopie konden waarnemen, al eeuwenlang bekend was onder de sjamanen van Zuid-Amerika: namelijk ons DNA. De dubbele helixstructuur die zich in onze cellen bevindt en via geavanceerde technologie waargenomen kan worden, is slechts een ander perspectief op wat sjamanen via een ander hulpmiddel -ayahuasca- in de vorm van mythologische, sprekende slangen kunnen waarnemen. En niet alleen de sjamanen kennen de drager van het leven in de vorm van gigantische slangen, die soms ook letterlijk te vinden zijn in leerboeken over biologie als bij wijze van karikatuur van ons DNA. Voor de Tihahuanacu’s, een volk dat leefde vóór de Inca-tijd in Zuid-Amerika, had de slang een heilige betekenis, en stond symbool voor door de vruchtbare rivieren die van de bergen stroomde. Naast de slang hadden ook andere dieren een heilige betekenis. Zo stond de condor voor de hemelen van dag en nacht, en de poema voor het leven op aarde. Voor de Inca’s, die bloedlijnen van de Tihahuanacu’s hadden, stond de condor voor de hemelen waar de priesters heengingen na hun dood, de poema voor het leven op aarde, en de slang voor de onderwereld en als heerser van het dodenrijk van het gewone volk. De slang in de mythologie van de Inca’s bleef dus een heilig wezen zoals voor de Tihahuanacu’s, maar werd behoorlijk gedemoniseerd.

Om een sprong naar een andere religie te maken: voor het Christendom heeft de slang een regelrechte demonische betekenis, als verantwoordelijke voor de verleiding van Eva om de verboden appel te eten. Opvallend is dat de slang in het bijbelse verhaal net als de heilige slangen van de sjamanen de drager van kennis is. Immers, de slang wist heel goed wat de gevolgen voor Adam en Eva zouden zijn als ze de appel zouden eten. Buiten het Christendom vindt men echter ook andere sporen van de slang als drager van kennis over het leven en specifiek over gezondheid, zoals voor de sjamanen die via ayahuasca mensen genezen: de staf waar twee slangen om gekronkeld zijn en die het symbool vormt van de medische wetenschap. Wat de biologie betreft, letterlijk gesproken praat het natuurlijk niet over slangen, maar als men ons DNA hiermee associeert ziet men wel degelijk frappante overeenkomsten met de mythologie van bijvoorbeeld de Tihahuanacu’s. De rivieren die in de vorm van een slang van de bergen stromen, vormen een symbool voor de vruchtbaarheid van het leven, evenals ons DNA in een letterlijke betekenis. Gezien de heilige betekenis van water voor de Tihahuanacu’s kan men ook een vergelijking trekken met de betekenis van water in onze cellen en de functie van DNA. De structuur van DNA blijkt bijvoorbeeld afhankelijk te zijn van water.

Als DNA en mythologische slangen inderdaad dezelfde betekenis voor het leven hebben zoals Narby gelooft moeten er meer overeenkomsten zijn. Om dit te onderzoeken heeft Narby de schilderingen van een Peruaanse sjamaan aan een bioloog laten zien. Voor de sjamaan waren zijn schilderingen een poging om zijn visioenen onder de invloed van ayahuasca uit te drukken. De bioloog, die niets van de oorsprong van de levendig gekleurde schilderingen wist, zag echter in de schilderingen DNA in verschillende vormen, en ook andere structuren zoals die zich in levende cellen bevinden, zoals ribosomen en mitochondria!

Goddelijke nutteloosheid

Evenals Narby gelooft Aldous Huxley dat zijn visioenen onder de invloed van een ‘hallucinogene’ drug, in zijn geval mescaline, getuigden van een werkelijkheid onafhankelijk van hem en dat zij niet slechts produkten waren van zijn eigen geest. Naast het zien van verschillende geometrische patronen (wat tevens vaak het begin vormt van een ayahuasca-visioen) zag hij onder andere schitterende gebouwen in gotische stijl en eigenaardige wezens. Hij raakte gefascineerd door het innerlijke licht van een bloem op de tafel van zijn bureau, of zelfs van de natuurlijke en ‘goddelijke zo-heid’, oftewel van het natuurlijke zijn van zijn eigen gestreepte broek. Naast de impressie van de goddelijkheid van alle dingen vielen hem twee dingen op: de biologische nutteloosheid van zijn ervaringen en de verhoogde intensiteit en schoonheid van kleuren. Zijn ervaringen waren van geen enkel praktisch belang, en hij kon zich gewoonweg niet meer interesseren voor de alledaagse menselijke beslommeringen -en met goede redenen, schrijft hij: ‘Zo zou men de dingen moeten zien: zoals ze zij; intense kleuren en een overweldigende impressie van de ondoorgrondelijke heiligheid van alle dingen en levende wezens’.

Toen hem tijdens de hoogtepunten van zijn mescaline-ervaring een atonaal muziekstuk van Alban Berg werd voorgeschoteld, waarvan Huxley vooral de psychologische desintegratie en de fenomenale, getalenteerde expressie opviel, merkte hij op aan de proefleider van het mescaline-experiment: “Wat een zelfmedelijden heeft hij! … Wie interesseert het wat zijn gevoelens zijn? Waarom kan hij geen aandacht aan iets anders schenken?” Tijdens zijn ervaring, waarbij Huxley al zijn normale geestelijke capaciteiten bleef behouden, viel hem des te meer op dat de dingen om hem heen zoveel meer interessanter waren dan zijn eigen geest of die van een ander. Terwijl hij zijn eigen gedachten en bijdrage aan de wereld visualiseerde als bolletjes van plastic en tin, zag hij de mooiste parels en edelstenen om zich heen, die leken te schijnen met innerlijke licht en kleur: dát is wat Vermeer, Cézanne of Van Gogh probeerden uit te drukken in hun werken; de schitterende kleuren en de goddelijke zo-heid van de dingen, zoals een eenvoudige stoel in een beroemd werk van de laatste. Huxley schrijft dat zijn visioenen van landschappen met rijk gekleurde edelstenen, vele malen prachtiger dan die op aarde, de filosofie van Plato in een ander daglicht zet. In de Phaedo beschrijft Plato een ideale wereld boven en voorbij de wereld van materie: “In deze andere aarde zijn de kleuren puurder en helderder dan zoals ze hier beneden zijn. De bergen en de stenen hebben een rijkere uitstraling en een lieflijkere helderheid en intensiteit.”

Het mysterie kleur

Huxley spreekt in zijn boek “The doors of perception” over ‘pre-eeuwige’ kleuren: kleuren die van een goddelijke oorsprong getuigen en altijd hebben bestaan en zullen bestaan. Volgens deze visie zou kleurperceptie niet zozeer door de evolutie geschapen zijn, maar eerder een terugkeer inluiden van het leven naar de oorspronkelijke goddelijkheid van de dingen. Ook al is vandaag de dag veel bekend over kleurwaarneming in de hersenen, in de filosofie van de hersenwetenschappen vraagt men zich wel eens af wat de praktische waarde is van het zien van kleuren. Immers, een zwart-wit wereld van contrasten kan in principe genoeg informatie verschaffen voor een organisme om te overleven. Een beroemd gedachte-experiment handelt over de hersenwetenschapper Mary, die (in de toekomst) alles weet over kleurperceptie, maar zelf kleurenblind is. Als zij plotseling kleuren kan waarnemen, kan men de vraag stellen: Neemt Mary nu meer informatie waar dan eerst? Als het antwoord ontkennend is zoals sommige filosofen beweren, dan plaatst dit de hersenwetenschappen voor een dilemma. Immers, volgens de gangbare theorie dient ons bewustzijn er voor om zo snel en efficiënt mogelijk informatie uit de omgeving te kunnen verwerken en zo te kunnen overleven. Als kleuren niet bijdragen aan informatieverwerking, of als verhoogde ‘zwart-wit’ contrastwaarneming tot eenzelfde verhoogde overlevingskans leiden, waar komt kleurwaarneming dan vandaan? Vanuit dit oogpunt is kleurwaarneming eveneens ‘biologisch irrelevant’. Volgens Huxley is kleurwaarneming dus geen biologisch-evolutionair raadsel, sinds hij het bestaan van kleuren ‘pre-eeuwig’ acht. Er zijn theorieën van eigengereide onderzoekers die aannemen dat het uitzonderlijk goede zicht van de mens -qua gedetailleerdheid en kleurwaarneming-  deels veroorzaakt is doordat de mens sinds millennia geëxperimenteerd heeft met natuurlijke hallucinogene middelen die net zoals mescaline de kleurperceptie verhogen, en zodoende de constitutie van de hersenen van de mens in de loop van de evolutie heeft beïnvloed.

Van schizofrenie tot mystiek

Huxley legt parallellen tussen de wereld zoals mensen met schizofrenie die ervaren en de wereld zoals ervaren wordt door mystici. Ook de mescaline-gebruiker kan in een schizofrene hel belanden, als de persoon gestuurd wordt door angst of woede of recent een traumatische gebeurtenis heeft meegemaakt. Het heilige licht kan dan ervaren worden als een demonische, van nature slechte aanwezigheid. Ook de defocalisatie techniek van Narby heeft een schaduwkant: de filosofie van het simultaan waarnemen van verschillende perspectieven kan potentieel leiden tot verwarring en een overvloed van niet te verwerken associaties zoals kenmerkend is voor schizofrenie. Het is eerder opgemerkt dat een grote, kunstmatig toegevoegde hoeveelheid adrenaline, chemisch gerelateerd aan mescaline, tijdelijk symptomen kan oproepen die gelijken op die van schizofrenie. Huidig onderzoek naar zogenaamde gamma-golven, ofwel elektrische golven van de hersenen met een frequentie van rond de 40 golven per seconde, wijzen eveneens op interessante parallellen. Zo heeft een onderzoek aangetoond dat mescaline gamma-golven verstoord. Dit is ook het geval bij mensen met schizofrenie. Aan de andere kant heeft een recent onderzoek juist verhoogde gamma-activiteit gevonden bij ervaren mediteerders.

Nu is het interessant dat eenzelfde verhoging ook is gevonden bij een ayahuasca-experiment (het onderzoek had als hoofddoel de vermeende verhoogde paranormale gaven onder invloed van ayahuasca te onderzoeken, maar de onderzoekers hebben ook naar gamma-activiteit gekeken). Het is echter niet zo dat verhoogde gamma-activiteit noodzakelijkerwijs tot diepe inzichten of verhoogde waarneming leidt, aangezien bij schizofrene mensen onder verschillende omstandigheden soms ook een verhoging van gamma-activiteit gevonden wordt.

Het nemen van mescaline of ayahuasca op het moment van gebruik vertroebelt de pragmatische instelling van de mens. Degene die de deuren van perceptie eens is ingegaan zal nooit meer dezelfde zijn, schrijft Huxley, en is bescheidener, minder zelfgenoegzaam maar gelukkiger en gevoeliger voor de kracht en zwakte van taal dan daarvoor’, zo vervolgt de schrijver.

Wat ayahuasca betreft, onderzoek van de Braziliaanse regering heeft aangetoond dat mensen die regelmatig ayahuasca gebruiken over het algemeen een gezond(er) leven leiden en sociaal en economisch goed geïntegreerd zijn. De Braziliaanse regering heeft het gebruik van ayahuasca dan ook gelegaliseerd. Het zal echter nog wel even duren voordat middelen als mescaline of ayahuasca in de schappen van de supermarkt te vinden zijn.